De geschiedenis van Hoei

De oorsprong van de naam ‘Hoei’ is omstreden. Sommigen schrijven hem toe aan het oud-franse woord voor hoogte ‘Hohi’; anderen denken dat de stad de naam van de rivier die de stad doorkruist, de Hoyoux, heeft overgenomen waarvan de Latijnse benaming ‘Hoyum’ was.  De waterloop kreeg het verkleinwoord Hoyolus toegewezen, wat later Hoyoux werd.

De geschiedenis van Hoei telt iets meer dan duizend jaar. Haar reputatie is vooreerst gebaseerd op haar ambachtelijke bedrevenheid , en vervolgens op haar industriële en handelsactiviteit .
De stad is één van de oudste van het land. Haar ontstaan is onbekend maar men kent ze toe aan de Romeinen: kroniekschrijvers rapporteren dat de Romeinse keizer Antoninus de Vrome, in Hoei toekwam in het jaar 148 en dat hij, onder de charme van de site, besloot, op de rechteroever van de rivier, een "castrum" te bouwen boven op de rots die de grote nederzetting domineerde. Later werd de stad 'Bene facta' (welgemaakte) genoemd en het kasteel kreeg de naam van 'Bene sensum' (welgelegen).

 

Vanaf 102 wordt, aan de voet van de rots, een heiligdom vermeld, gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw. Dit heiligdom werd de voorloper van de huidige collegiale kerk.
De heilige Domitianus, bisschop van Tongeren, evangeliseerde de Maasstad vanaf de 6de eeuw, en de Hoeienaars kozen hem tot patroonheilige van de stad. Onder zijn pogingen tot bekering werden, in 634, 2 heiligdommen opgericht: één gewijd aan  Onze-Lieve-Vrouw en één aan Sint- Cosmas.
 

1735 - Leloup Remacle

 

Vóór het jaar 1000 is weinig gekend van de geschiedenis van Hoei. Slechts enkele documenten werpen een beetje licht op die duister gebleven periode.

De 1ste vermelding, in een testament, dateert van 636.
De stad was eerst de hoofdplaats van een graafschap waarvan slechts weinig informatie rest.

Als regionale markt en aanlegplaats voor de binnenscheepvaart, was Hoei een belangrijke economische plaats  in het Merovingische tijdperk. In de 7de eeuw bevond er zich een zeer bedrijvig muntatelier en op de omgevende hellingen bloeiden wijngaarden. Dit toont de ontwikkelingen aan die de, aan de samenvloeiing van de Maas en de Hoyoux ontstane agglomeratie, had doorgemaakt.
In de Battawijk ontstonden de eerste industrieën: bronsgieterijen, hoorn- en beenhouwers en pottenbakkers.

In de nieuwe geografische administratie die de Germaanse keizer Otto I hanteert, wordt Hoei,  in 941, de zetel van een graafschap.  Dit was echter slechts een kort bestaan beschoren, tot de laatste graaf Ansfried het, in 985, afstond aan Notger, prins-bisschop van Luik. Het prinsbisdom was toen een staat van het Duitse Keizerrijk. Vanaf dan loopt de geschiedenis van  Hoei samen met die van het  prinsbisdom Luik, waarvan ze de 2de ‘goede stad’ wordt.



De handel kende een grote bloei dankzij het gunstige economische klimaat . De voorspoed had tot gevolg dat de woonzones zich uitbreidden, en de handelaars werden zich collectief bewust van hun rechten. Vooral op de boorden van de Hoyoux waren de leerlooiers talrijk, maar ook de volders (huidenbewerkers), de ketelmakers of koperslagers en de timmerlui. Vooral de metaalbewerking werd zeer belangrijk, dit vooral  door de Hoyoux, waarop een waterrad werd gebouwd. De smederijen kenden hun gouden tijdperk vanaf de middeleeuwen. Vanaf de 11de eeuw voerden de koperslagers hun waren uit over gans Europa. Enkele kunstenaars: Renier de Hoei (doopvont in de St.- Barthelomeuskerk in Luik), Godefroid de Claire (reliekschrijnen van St.-Mengold en St.-Domitianus in de collegiale kerk te Hoei).

Hoei was niet alleen een voorloper op commercieel gebied maar Hoei heeft het ook op politiek vlak gemaakt.
In 1066 laat prins-bisschop Theoduinus van Beieren  de romaanse collegiale bouwen met de financiële steun van de burgerij. Zij staan tot de helft van hun bezittingen af maar de Hoeienaars krijgen in ruil ook een vrijheidscharter (oorkonde), het eerste in zijn soort in West-Europa.

De 1ste kruistocht (1096-1099) zal de prediker Pieter de Kluizenaar op ons grondgebied brengen. Volgens de legende stichtte hij de  abdij van Neufmoustier. In 'Clarus locus' (Clair-Lieu)  werd het moederhuis van de Orde van de Kruisheren gesticht.

In de 13de en 14de eeuw, zal de lakennijverheid de economische vector bij uitstek worden. Munten gevonden in Rusland en Scandinavië getuigen van het grote commerciële belang van de stad.

Het kasteel ('Li Tchestia') wordt een machtig fort dat de prins-bisschoppen van Luik als verblijfplaats kiezen wat tot botsingen met hun onderdanen zal leiden. Het kasteel werd merkelijk vergroot en versterkt met torens en hoge muren, het werd ook verfraaid en uitgebreid met diverse zalen.


Hoei werd een plezierstad en ontplooide, in de 15de eeuw, al de pracht, praal en weelde van het Bourgondische hof. In die tijd wordt  het kasteel het embleem van de stad.
Maar de schitterende voorbestemdheid van Hoei keert stilaan om: de stad wordt het slachtoffer van haar strategische positie. Het fort moet vele belegeringen doorstaan (12 in 30 jaar) terwijl brand, plunderingen en afslachtingen  herhaaldelijk de mooie Maasstad verwoesten.

De wijnbouw die eens 500 000 liter Briolet  per jaar opbracht, raakt in verval ten gevolge van meerdere invallen, en komt deze nooit meer te boven.

In 1715 legt het Barrièreverdrag de afbraak op van 'Li Tchestia'  parel van Europese militaire architectuur. Maar, gelukkig verlost te zijn van de oorzaak van al hun ellende, breken de Hoeienaars het kasteel steen voor steen af. Een eeuw lang blijft de heuveltop ontdaan van elke constructie.

Hoei kan herademen en het is door de snelle opkomst van de papierfabricage, de metaalverwerkende industrie en later de industrialisatie dat in de 19de eeuw verscheidene Hoeise families fortuin kunnen maken. Hoei wordt de ‘Stad van de Millionairs’genoemd.

Op 6 april 1818 wordt, onder Hollands bewind, de eerste steen van het huidige fort gelegd. In 1870 wordt het op de lijst van de verdedigingswerken van Generaal  Brialmont gezet. Het zal echter geen verdedigingsfunctie hebben maar zal eerst dienen als tuchtkamp en dan als interneringskamp.
Bij de onafhankelijkheid van België, in 1830, levert Hoei een belangrijk staatsman:  Joseph Lebeau.

Momenteel blijft er van de oude industrieën de tinproductie over, een kunstambacht dat zijn producties in de ganse wereld exporteert.

Hoei heeft zich kunnen aanpassen, en het toerisme is één van de sterke punten van de stad geworden . Historische monumenten, natuurlijke landschappen van een zeldzame schoonheid, religieuze en burgerlijke gebouwen wachten op de bezoekers.

 

Menu Attractions